Skip to Main Content
Header-afbeelding

Murat Isik over zijn nieuwste roman: ‘De klauw van een gezin weet je altijd te vinden’

Door de Kobo-redactie • februari 27, 2024Interviews

Zes jaar geleden won Murat Isik met Wees onzichtbaar zo’n beetje elke prestigieuze boekenprijs die er te winnen valt, waaronder de Libris Literatuur Prijs. En nu is er zijn nieuwe roman In de mist van Golden Gate Park: over het ontvluchten van een toekomst die je niet wil, jezelf opnieuw ontdekken en de onontkoombare klauw van familiebanden. De verwachtingen zijn hooggespannen - en niet alleen van buitenaf, vertelt Isik.

“Ik heb de lat voor mezelf als schrijver weer heel hoog gelegd. Ik wil laten zien dat ik meer in me heb dan een coming of age in de Bijlmer en mijn ontwikkeling als schrijver laten zien - en die missie is misschien nog wel het zwaarst.”

In het boek zien we de inmiddels volwassen Metin uit Wees onzichtbaar terug, die als jongen wilde breken met de Bijlmer en als student met zijn studie Rechten.

“Klopt. Hij zit op een bepaald punt in zijn leven waarop hij voelt dat hij vastzit, dat hij een toeschouwer in zijn eigen leven is. Thuis is hij meer bezig met het bewaken van de harmonie dan met het najagen van zijn eigen dromen. Hij voelt: ik moet hier weg en losbreken. Hij schrijft zich in voor een uitwisselingsprogramma en vertrekt naar San Francisco om te kunnen veranderen in een daadkrachtige man. Een man van de wereld. Hij wil zowel iemand anders worden, als de schrijver die heimelijk in hem schuilt doen ontluiken, en zo het lot afwenden van een leven als jurist op een grauw kantoor.”

En, lukt hem dat?

“Eenmaal daar krijgt hij een totaal andere status. Hij is opeens die coole gast uit Amsterdam, en een gewaardeerd uitwisselingsstudent. Ondanks dat hij moet wennen aan die andere status, doet het hem goed. Zie je wel, dit leven is óók mogelijk. Maar dan vinden de aanslagen van 9/11 plaats, is Amerika in rep en roer, en wordt hij, met zijn mediterrane - Arabische - uiterlijk, anders bejegend. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen op het thuisfront die hij wel hoort maar wil negeren, uit bescherming van zijn nieuwe leven en de grote liefde die hij heeft ontmoet bij het vak Creative Writing.”

Er zit zes jaar tussen dit boek en Wees onzichtbaar. Waarom?

“Naast het feit dat elk nieuw boek iets nieuws vraagt van een auteur, kwam er nu ook de verwachting van de buitenwereld bij. Bovendien zat ik thuis in de tropenjaren, met twee kinderen van 4 en 6 jaar. Toen ik begon met dit boek zat ik middenin een stormachtige periode vol lezingen en interviews. Ik had een zoon van 1 en een dochter op komst. Die periode kwam door corona tot stilstand, pas toen kon ik me helemaal op dit boek storten. Ik voelde tegelijkertijd dat dit werk heel veel van mij vraagt en dat ik iets radicaals moest doen om die opdracht te verwezenlijken.”

Wat werd dat radicale?

“Ik ben nachtschrijver van nature, een nachtuil. Ik zal nooit voor twee uur ‘s nachts naar bed gaan als het niet hoeft. Maar nu dacht ik: ik ga om half elf slapen en sta om half zes op, om tijd te winnen. Om met die verse ochtendscherpte - die nog niet is bezoedeld door sociale media en ochtendnieuws - te benutten, en als een soort mijnwerker op zoek te gaan naar iets waardevols. Toen werd ik een ochtendschrijver. En dat was, eind 2021, echt een doorbraakmoment voor dit boek. Ik voelde: nu ben ik er doorheen, nu kan ik de diepte in. Mijn productiviteit steeg en het verhaal raakte op stoom.”

Waar Metin zich in Wees onzichtbaar wil ontworstelen aan zijn leven in de Bijlmer, vertrekt hij in dit boek naar San Francisco om te vluchten voor zijn toekomst als jurist. Voor zijn familie een droom, maar voor hem een nachtmerrie - net als voor jou destijds. Hoe was het om over dit deel van Metins - en daarmee jouw - leven te schrijven?

“Voor het eerst in mijn schrijverschap kon ik alle registers opentrekken, omdat ik als schrijver op een plek belandde waar ineens alles kon: in het San Francisco van 2001. Ik kon opeens over alles vertellen, ik zag oneindige mogelijkheden: de historie, de cultuur, de tegenstellingen en de schoonheid van de stad. Dat moest ik zien te temperen en binnen de structuur van een boek zien te brengen. Dat was echt heel lastig, want de bron is oneindig en heel verleidelijk in Amerika. De oerversie van dit boek bestond daardoor uit 1700 pagina’s.”

Pardon, hóeveel?

“Ja, ik heb heel veel weg moeten laten en met moeite afscheid moeten nemen van personages en verhaallijnen. Dat deed pijn, maar ik moest voor het verhaal gaan, het verhaal was leidend, dat mag niet overschaduwd worden door onnodige ballast. En daarbij: veel van de personages zijn eigenzinnig. Joan (de grote liefde van Metin) verzette zich bijvoorbeeld tegen mij als auteur, zo voelde dat voor mij, en het duurde heel lang voordat ik haar vertrouwen won. Dat was heel emotioneel maar ook heel bevredigend. Er ontstond daardoor een hele rijke schrijfervaring vol onverwachte gebeurtenissen.”

Jij bent duidelijk geen schrijver die van tevoren op geeltjes plakt hoe de hoofdstukken eruit zullen zien.

“Nee. Dat zou voor mij dan echt als huiswerk voelen. Het is een saai schrijfproces als je precies weet wat er op een schrijfdag en in een scène gaat gebeuren. Ik ben een schrijver die autobiografische elementen gebruikt en daar vervolgens een heel nieuw literair universum omheen bouwt waarin in eerste instantie alles mogelijk is. En dan… ga ik het avontuur aan, en laat ik het verhaal mij voortstuwen, sta ik ingevingen vanuit het onderbewuste toe. Het is dus geen autobiografie, maar ik ken wel de wereld die ik beschrijf en bouw er een nieuwe omheen, waardoor het ook voor mij een avontuur is. De avonturen die Metin meemaakt, komen deels overeen met de mijne, maar grotendeels ook niet. Metin durft meer dan ik toen. Dat maakt het ongelooflijk aantrekkelijk. Er waren veel dingen die mij verrasten.”

Oh, zoals wat?

“Zonder al te veel weg te geven: er zit een reis in het boek. Dat was ik helemaal niet van plan, maar het gebeurde wel. De personages wilden dat. Oké, dacht ik, dan gaan we dat doen. Het werd een heel memorabele reis in het boek, die ik niet had voorzien. Waar heel veel gebeurt, met veel conflict, veel drama en veel pijn, maar ook met veel leerzame dingen voor de hoofdpersonen. Als je dat van tevoren uitdenkt, denk je niet aan een reis in een reis, aan een groot verhaal in een verhaal. Door het te laten gebeuren, ontstond dat. Ik was blij met die ingeving. Het was overrompelend, maar ik ben er heel dankbaar voor. Het voelt als een geschenk.”

Waarom?

“Omdat een verhaal op die manier vlees op de botten krijgt. Een kloppend hart. Het wordt een rijke roman waarin de lezer zich kan onderdompelen en waarin hij kan verdwijnen. Ik wilde ook de stad San Francisco dichterbij brengen zoals ik eerder de Bijlmer dichterbij heb gebracht.”

Voor wie is dit boek net zo herkenbaar als Wees onzichtbaar voor jongeren uit achterstandswijken?

“Of het nu om een passie of onvervulde droom gaat: iedereen herkent het gevoel van vastzitten wel. Van tegen muren oplopen en het gevoel te hebben: ik hoor hier niet. Metin heeft dat ook. Hij voelt zich geen jurist, wordt gekweld door zijn studie en verleden, maar wil zijn ouders pleasen - en nu wacht hem een doemscenario. De onvermijdelijkheid van familiebanden zit hier op een heel andere manier in dan in Wees onzichtbaar.”

Hoe dan?

“Je kunt 9000 kilometer verderop gaan zitten, maar die familiebanden en de klauw van het gezin weten je te vinden, en slaan zich vast in je nek. Daar moet je iets mee doen, daar moet je je toe verhouden, en dat is heel moeilijk. Metin probeert zich daaraan te ontworstelen, maar zit tussen twee vuren in. In Wees Onzichtbaar tussen zijn vader als tiran en zijn moeder die langzaamaan emancipeert. Nu is hij weg en wil hij een heel ander leven leiden, maar dat gezin doet een appèl op hem, wat hem slecht uitkomt. Wat hem verscheurt - want hij denkt: nu is het mijn tijd, nu wil ik voor mezelf leven. Ik móet dit pad bewandelen om erachter te komen of er een ander, autonomer leven voor mij mogelijk is dan het veilige pad dat mijn ouders voor mij hebben uitgestippeld.”

Ik hoef denk ik niet te vragen of je ooit nog heimwee naar je leven als jurist hebt.

“Haha, nee. Zeven jaar geleden heb ik de jurist in mij begraven. Voorgoed. Door tijdens mijn studie naar San Francisco te vertrekken, heb ik daar het vak Creative Writing gevolgd en voor het eerst anders naar het schrijven gekeken. Meer technisch. Hoe schrijf je, waarom schrijf je, metaforen, vergelijkingen, hoe doen andere schrijvers het, ik keek er plots anders naar. Daar heb ik de schrijver in mij gevoed en ervaren wat er nodig is om schrijver te worden. Na een jaar werken als jurist op een - inderdaad, grauw - kantoor in Amsterdam, wist ik het zeker, en toen ben ik ook in Nederland een schrijfcursus gaan volgen. Als ik echt zo goed ben, zal ik hier uitblinken - en goddank gebeurde dat ook. Een docent hier las eind 2004 mijn verhaal en zei - ik zal het nooit vergeten - ‘Jij komt er wel.’ Dát moest ik horen. Ik heb het opgeslagen en omarmd. Oké, nu weet ik het zeker, ik ga er helemaal voor als schrijver.”


Foto auteur: Mark Uyl

Wil je contact met ons opnemen?

If you would like to be the first to know about bookish blogs, please subscribe. We promise to provided only relevant articles.